Geraakt

Op de vlucht klimt Fouad op de woonboot van een oude vrouw. Ze laat hem binnen. Het is het begin van een ontmoeting tussen een jong lid van de Mocro-Maffia en een betrokkene van de oude generatie criminelen.

Dit korte verhaal bevat enkele feiten uit de werkelijkheid maar berust grotendeels op fictie.


Geraakt

,,Ach jongen, wat zie je d’r uit. Hoofdschuddend doet de vrouw een stap opzij om de druipende Fouad vanaf het platje de woonboot binnen te laten.

,,Wat moet jij in de gracht?”

,,Er is op me geschoten.”

,,Geschoten? Ik hoorde wel wat geknal maar ik dacht: het is vuurwerk.” Haar ogen glijden onderzoekend langs zijn lichaam. ,,Ben je geraakt?”

Fouad trekt zijn jas opzij en doet zijn shirt omhoog. Verbaasd kijkt hij naar zijn buik. ,,Nee, ik heb helemaal niks.”

,,Nou, gelukkig dan maar.” De vrouw voelt nog even aan de klink van de schuifdeur om te controleren of die wel echt goed dicht zit en doet dan de gordijnen dicht.

,,Ik maak uw vloer helemaal nat”, verontschuldigt Fouad zich als hij de grote plassen water rond zijn voeten ziet.

,,Ach dat geeft niks”, wuift de vrouw weg laverend tussen de meubels in de krappe kamer. ,,Het zijn plavuizen. Dat dweil ik wel op. Doe maar wat uit. Ik heb nog oude kleren liggen van mijn man.” Ze schuift een stoel opzij en opent een kast. ,,Ga daar maar zitten”, zegt ze over haar schouder knikkend in de richting van een houten stoel.

Met haar rug naar hem toe rommelt ze door de stapels op de planken. Fouad maakt aarzelend zijn riem los. Als hij alleen zijn boxer nog aan heeft, gaat hij op de rand van de aangewezen stoel zitten. Vanaf een kast kijken twee katten hooghartig op hem neer.

,,Dat zijn dikke Otto en grijze Gerrit”, wijst ze. ,,De lievelingen van mijn man. Mijn overleden man”, verbetert ze zichzelf. ,,Hij was dol op ze. Op alle dieren trouwens.” Ze pakt Fouads natte kleren en verdwijnt de kamer uit.

Met de blikken van de twee katten op zich gericht, kijkt Fouad de kamer rond. Het gele licht van een schemerlamp onthult een groot, bruin leren bankstel. De massieve kast van donker eiken ernaast is volgestouwd met beeldjes. Aan de muur schilderijen én een uitgebreide wapenverzameling. Getriggerd buigt Fouad zich voorover om de verzameling beter te kunnen zien. De katten trekken zich blazend terug. Sabels, jachtgeweren, maar ook een Beretta, een Luger, en is dat een Glock?

,,Mooi?”, vraagt de vrouw als ze de kamer weer binnenkomt en hem bij de wapens ziet staan. Ze reikt hem een kledingstuk aan. Fouad trekt het haastig over zijn hoofd. Het blijkt een ruime, te korte kaftan. In het spiegelende glas van de kastdeur ziet hij zijn vrome vader staan.

,,Is nog van Gadaffi geweest.”

,,Nee, niet die Beretta”, zegt de vrouw als ze hem verbaasd ziet kijken. ,,Die was van James Bond. Die kaftan.” Ze laat zich in de kussens zakken van een grote, leren fauteuil. Fouads blik schiet verwonderd van de Beretta aan de muur naar de kaftan aan zijn lijf.

,,Ik ben de weduwe van Paul. Paul Wilking”, verduidelijkt de vrouw. ,,Pistolen Paultje? Het zegt je niks”, concludeert ze als ze Fouads niet-begrijpende blik ziet. ,,In ieder geval, Gadaffi was zijn vriend, vandaar die kaftan.”

,,Goede smaak”, zegt Fouad.

,,Iets te kort, maar staat je goed.” De vrouw blijft een poos zwijgend naar hem kijken. Fouad probeert zich onder haar blik uit te wurmen en schuift ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer.

,,Hoe komt u aan zoveel wapens?”, vraagt hij dan.

,,Paul was handelaar; horloges, … de Glock was zijn favoriet”, zegt ze met iets van afwezigheid in haar stem. Ze valt weer stil. Dan opeens: ,,Wie waren dat die op jou schoten?”

Fouad haalt ontwijkend zijn schouders op. ,,Ik weet het niet.”

De oude vrouw trekt haar wenkbrauwen op.

,,Goh, leuk om eens bezoek te hebben”, zegt ze dan.

,,Wanneer zijn mijn kleren klaar?”

,,Ik heb ze in de droger gestopt dus we hebben de tijd. Hoe heet je?”

,,Wat gaat u dat aan?”

,,U? Netjes opgevoed. Ik heet Maria, zeg maar Rie. En jij?”

,,Fouad.”

,,Achternaam?”

,,Nee.”

,,Iets te drinken misschien? Kopje thee?”

Ze steunt met haar handen op de armleuningen om zich uit haar stoel te drukken.

,,Is er wel eens op uw man geschoten?”, vraagt Fouad plots. Rie laat zich terug in haar stoel zakken. ,,Hij handelde in wapens, hij schoot er zelf niet mee”, zegt ze afwerend. En na een korte stilte: ,,Hij was tachtig toen hij stierf, dat haal je niet als je constant onder vuur ligt.” Abrupt staat ze op uit haar stoel om thee te gaan maken.

Als ze terugkomt uit de keuken en het dienblad voor hem op een tafeltje zet. Vraagt ze met haar gezicht vlakbij dat van hem: ,,Wat heb jij gedaan?”

,,Niks”, verweert Fouad zich verbaasd. ,,Ik zit hier gewoon.”

Rie haalt snuivend haar neus op. ,,Je weet best wat ik bedoel. Wat heb je buiten gedaan? Er wordt niet voor niks op je geschoten. Drugs zeker?”

,,Wat weet u daarvan?”

,,Niks. Mijn man moest er niks van hebben. In die drugswereld schieten ze elkaar aan de lopende band het leven uit, zei hij altijd. Met drugs heeft hij nooit iets te maken gehad. Neem je thee maar.” Ze gaat weer zitten in haar stoel.

In de stilte hoort Fouad het water zachtjes klotsen tegen de woonboot. Ver weg het geluid van sirenes. De thee raakt hij niet aan.

,,Weet je”, begint ze opnieuw, ,,zolang er geen dooien vielen, vond ik alles best. En er vielen ook geen dooien, tenminste niet dat ik weet. Maar jij, zo jong. Wie had je eigenlijk bij je?”

,,Vrienden.”

,,En waar zijn die nu?”

,,Weet niet. Weggerend misschien?”

,,Dood?”, stelt Rie.

Fouad haalt zijn schouders op.

,,Het was nooit de bedoeling”, begint hij.

,,Heb je zelf eigenlijk wel wat bij je?”, onderbreekt Rie hem.

Ze ziet de ogen van Fouad richting de wapenverzameling aan de muur trekken.

,,Die doen het niet meer jongen. En deze”, Rie reikt naar Fouads mobiele telefoon die ze op de verwarming te drogen had gelegd en drukt met gefronste wenkbrauwen op de aan-uitknop ,,ik betwijfel het.”

Fouad grist de telefoon uit haar handen en begint driftig op de toetsen te drukken. Als hij het dode scherm ziet, zakt hij verloren terug op zijn stoel en laat hij het apparaat vertwijfeld uit zijn handen glijden.

,,Ik moet weg”, zegt hij plots. ,,Ik kan hier niet blijven. Ze weten niet waar ik ben.” Onrustig kijkt hij de kamer rond. ,,Mijn kleren?”

,,Ik zal eens gaan kijken”, zegt Rie. Als ze terugkomt staat Fouad met een van de katten in zijn armen. Zich vastklampend aait hij het beest vol overgave.

,,Ze zijn nog wat vochtig”, zegt ze als ze zijn stapeltje kleren op zijn stoel legt.

,,Ik ben bang”, zegt hij. Met angstige ogen zoekt hij haar blik. Ze ontwijkt hem en legt de kaftan weer terug in de kast. Dan ziet ze tussen de stapels de kolf van de oude revolver uitsteken. Ze aarzelt even. Hij is te jong, schiet het door haar heen.

,,Het is een Nagant”, zegt ze als ze de revolver naar Fouad richt. Die deinst struikelend met één been in een broekspijp naar achteren. Met een knik gebaart ze dat hij hem aan moet nemen. ,,Hij lijkt antiek, maar hij doet het wel.”

Als ze de buitendeur voor Fouad opendoet en hem haastig weg ziet sluipen, denkt ze aan haar man. Snel doet ze de deur dicht. Even later hoort ze geknal. Vuurwerk, mag ze hopen. Ze had er nooit iets mee te maken willen hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *